www.TASMEDES.nl - The Homepage of Taede A. Smedes
Home
Taede's Science and Religion Bookstore
Weblog (mainly in Dutch)
Music (MP3s)
Photos
My hyves (to see all requires registration)
Universitair overlegplatform voor de studie van de verhouding tussen geloof en wetenschap (Louvain)
Members: 1
News: 109
Web Links: 18
Visitors: 362186
Hoe atheïstisch is dominee Hendrikse werkelijk? PDF Print

Written by Administrator, on Thursday, 22 May 2008

Views : 2700    

Published in : Freelance, Artikelen


Onderstaand artikel is oorspronkelijk verschenen in Theologisch Debat, 5e jaargang, no. 1 (maart 2008), pp. 38-44.


 

Hoe ‘atheïstisch’ is dominee Hendrikse werkelijk?

Een filosofische en kritische analyse van Klaas Hendrikse, Geloven in een God die niet bestaat.[1]

Taede A. Smedes

 

Inleiding: de positie van Hendrikse

Opeens was de Zeeuwse predikant Klaas Hendrikse een mediaverschijning, toen hij onlangs in verschillende kranten en tv-programma’s naar voren bracht dat hij atheïst was en dominee – een combinatie die bij voorbaat de wenkbrauwen deed fronsen en veel commotie teweeg bracht in alle gelederen van de Protestantse Kerk Nederland. In zijn eind 2007 verschenen boek Geloven in een god die niet bestaat zet hij zijn ideeën nader uiteen. Hoe formuleert en rechtvaardigt Hendrikse zijn omstreden positie in dit boek? Is hij werkelijk zo atheïstisch als hij zegt te zijn? En hoe houdbaar is zijn positie? Deze vragen staan in wat volgt centraal. Ik zal daarbij wat hij zijn boek over zijn eigen positie zegt vanuit godsdienstfilosofisch perspectief kritisch tegen het licht houden.

In de media noemt Klaas Hendrikse zich graag een ‘atheïstische dominee’, en een ‘gelovig atheïst’. In zijn boek verwoordt hij zijn positie als volgt:

‘Het woord “bestaan” is niet van toepassing op wat ik “God” noem.’ Daarmee druk ik uit dat (mijn) God niet is onder te brengen in de categorie verschijnselen die met het woord ‘bestaan’ kunnen worden beschreven. Daar wordt meestal wat minder geschokt op gereageerd, maar het komt op hetzelfde neer: God bestaat niet. En de ervaring heeft me inmiddels geleerd dat ik daar meteen achteraan moet zeggen dat ik wél in God gelóóf, en dat dat niet vaak genoeg herhaald kan worden: bij dezen! (19)

En verderop:

Maar God kan onmogelijk bestaan op de manier waarop een appeltaart bestaat. Anders uitgedrukt: God valt buiten de categorie van verschijnselen waarvoor het woord ‘bestaan’ zinnig kan worden gebruikt. Eenvoudiger en duidelijker: God bestaat niet.(32)

Daarbij is Hendrikse zeer kort door de bocht. Hij meent dat als God op een andere wijze bestaat dan een appeltaart, dat theologen het hele woord ‘bestaan’ niet meer moeten gebruiken om verwarring te voorkomen (33). Niettemin, zelfs als God niet bestaat, kun je volgens Hendrikse wel in God geloven. Hoe zit dit?

Atheïsme

Ik zal beginnen met de vraag wat Hendrikse eigenlijk bedoelt als hij het over ‘atheïsme’ heeft?

De naam zegt het al: een a-theïst is een niet-theïst of anti-theïst. Een theïst is iemand die in God gelooft op een ‘theïstische manier’: in een persoonachtig ‘wezen’ dat over eigenschappen beschikt, zoals almacht, alwetendheid en alomtegenwoordigheid. Atheïsme is daarom aan plaats en tijd gebonden: naast, of tegenover, niet-theïstische religies als het boeddhisme en het taoïsme komt het verschijnsel niet voor.

Een atheïst bestaat dus bij de gratie van een theïst en weerspreekt wat deze beweert: dat God bestaat. (37)

Maar dat is niet alles wat Hendrikse over atheïsme te zeggen heeft: hij verwijt atheïsten dat zij toch een ‘atheïstisch godsbeeld’ hanteren en een ‘atheïstische (on)geloofsbelijdenis’ uitspreken (42). Enerzijds is Hendrikse het met ze eens ten aanzien van de opvatting dat God niet bestaat. Maar anderzijds is hij toch ook verontwaardigd en heeft hij sterke kritiek, namelijk dat atheïsten van het godsbeeld van het christelijk geloof een karikatuur maken (43). Hendrikse concludeert “dat het godsbeeld van de meeste gelovigen gaandeweg is veranderd, terwijl het bij de meeste atheïsten is blijven stilstaan op het moment dat zij er afscheid van namen” (47).

Het is belangrijk hier op te merken dat Hendrikse in zijn boek het begrip ‘atheïsme’ op minstens twee manieren gebruikt: als benaming van zijn eigen (gelovige) positie, en als aanduiding van atheïsten zoals Herman Philipse. Van de tweede categorie atheïsten – het atheïsme waar in het normale spraakgebruik meestal naar wordt verwezen – neemt hij uitdrukkelijk afstand. Voor hem komt het verschil tussen een atheïst als Philipse en zijn eigen geloof tot uitdrukking in het onderscheid dat de atheïst zegt: “God bestaat niet, punt” terwijl Hendrikse zegt: “God bestaat niet, komma” (cf. 91). Hendrikses gebruik van het begrip ‘atheïsme’ werkt verwarrend. Er moet voortdurend naar de context gekeken moet worden om te begrijpen over welk atheïsme hij spreekt.

Geloven

Maar als Hendrikse zegt toch in God te geloven, dan is de vraag: wat verstaat hij onder ‘geloven’? Hendrikse zegt dat geloven:

voor mij meer met leven te maken [heeft] dan met God of godsdienst. Een gelovige levenshouding kenmerkt zich door de manier waarop iemand omgaat met wat er met hem en om hem heen gebeurt. Ik zal dat beschrijven als het vermogen om van een gebeurtenis een ervaring te maken. (91)

Geloven hoort bij een levenshouding die hij ‘volwassen afhankelijkheid’ noemt: de erkenning dat “wat wat werkelijk van waarde is niet in je macht ligt” (101) of het besef “dat wat voor jou werkelijk belangrijk is, je gegeven wordt” (104). Filosofisch gezegd: het gaat om een bewustzijn van contingentie, dat we afhankelijk zijn van factoren die niet in onze macht liggen. Religieus geloof uit zich bovendien in de realisatie “dat je niet de enige bent die er zo voor staat, dat ander net zo afhankelijk zijn van jou als jij van hen” (104).

Voor een gelovig mens zal het bewustzijn van wederzijdse afhankelijkheid niet zonder gevolgen blijven, maar zich vertalen in de verantwoordelijkheid om naar vermogen bij te dragen aan het geluk en welzijn van anderen. (105)

Geloven is doen en een uiting van een basisvertrouwen, “dat al het ongerijmde en soms angstige dat [de gelovige] om zich heen ziet, niet wegneemt dat hij ‘ja’ blijft zeggen tegen het leven waarvan hij heeft ervaren dat het goed kan zijn” (111).

Ervaringen
Maar geloof heeft ook met ervaringen te maken. Gelovige ervaringen hebben taal nodig om gecommuniceerd te worden: “Of je het woord ‘God’ gebruikt hangt af van de inhoud van je rugzak … Als je het woord ‘God’ gebruikt, dan is dat jouw manier om woorden te geven aan ervaringen die door iemand met een andere rugzak anders worden geduid” (116). Hieruit blijkt dat Hendrikse meent dat (a) mensen dezelfde ervaringen kunnen hebben, maar die anders verwoorden; de verwoording is volstrekt onafhankelijk van de ervaring zelf, en (b) het woordje ‘God’ plakken op een ervaring is arbitrair. Om een ervaring te benoemen, kan iemand willekeurig in een grote rugzak met woorden graaien. Het woordje ‘God’ is slechts één van vele alternatieven: “met behulp van het woord ‘God’ verwoord je een ervaring die niet controleerbaar verschillend is van een ervaring die iemand anders op een andere manier verwoordt” (116).

Volgens Hendrikse is de betrekkelijke willekeurigheid van woorden geworteld in de oorspronkelijke ‘taalloosheid’ van ervaringen: “Ervaringen zijn taalloos, ze gaan aan al onze woorden vooraf. De ervaring komt eerst, de verwoording is vers twee, en taal schiet altijd tekort” (117). Het woordje ‘God’ is dan “een woord … voor onverwoordbare ervaringen” (117). Deze taalloosheid en relativiteit van woorden om ervaringen te benoemen, gaat volgens Hendrikse zeer ver: “Als ik in China was geboren, zou ik voor een ervaring die ik God noem, een ander, Chinees woord gebruiken. Ofwel: dezelfde ervaring wordt anders genoemd. Een Chinees kan dus God wel ervaren, hij noemt het alleen anders” (118).

Hier zit echter een argumentatiefout. Hendrikse meent dat omdat taal ontoereikend is om ervaringen te beschrijven, dat daarmee ervaringen zelf taalloos zijn. Echter, dat taal altijd tekort schiet, zegt niets over de eventuele taalloosheid van ervaringen. Ik kan het gevoel hebben dat ik nooit genoeg kan houden van een bepaalde vrouw, dat mijn liefde ontoereikend is, maar dat betekent niet dat mijn liefde niet op iemand gericht is. En dat een mens een ander mens nooit volledig kan kennen (men kan zich altijd door de andersheid van de ander laten verrassen) betekent niet dat je niet kunt spreken van mensenkennis.

Bovendien, de beroemde linguïstische Sapir-Whorf these stelt dat ervaring en taal onontwarbaar samenhangen, wat betekent dat ervaringen inherent talig zijn. De these stelt namelijk dat taal onze ervaring van de wereld structureert.[2] Het verschil tussen een gebeurtenis die je overkomt en een ervaring zit hem onder andere daarin dat een ervaring altijd een ervaring van iets is; wat dat iets is, dat komt juist door taal tot uitdrukking. Zonder taal is de ervaring leeg en slechts een gebeurtenis. Je zou kunnen zeggen: zonder taal lijken ervaringen niet mogelijk.

Ten slotte: hoe weet Hendrikse dat sommige ervaringen hetzelfde zijn? Hoe weet hij dat een Chinees en hijzelf dezelfde ervaring kunnen hebben, die echter door een Chinees anders verwoord zal worden? Geeft juist het verschil in verwoording niet aan dat de ervaringen verschillend zijn? Een kunstkenner en een niet-kunstgevoelige persoon kunnen hetzelfde schilderij zien en toch verschillend ervaren en overeenkomstig beschrijven. Het is duidelijk dat Hendrikse van filosofie geen kaas gegeten heeft.

Een ander punt heeft te maken met de willekeurigheid van het woordje ‘God’: als het woordje willekeurig geplakt kan worden op bepaalde gebeurtenissen, waarom hangt Hendrikse dan toch zo aan het gebruik ervan? Is het – juist als atheïst – niet veel zuiverder om te zeggen dat om misverstanden te voorkomen ook het woordje ‘God’ maar moet verdwijnen? Het levert immers alleen maar verwarring op en vragen over wat bedoeld wordt met het woordje ‘God’.

Volgens Hendrikse verandert ook de betekenis van het woordje ‘God’ zelf door ervaring: “God verandert, omdat wij veranderen. God trekt om zo te zeggen een leven lang met je mee: als een woord dat je niet zelf hebt verzonnen[3], waarvan de inhoud onderweg steeds verandert en waarvan de betekenis dus nooit vastligt” (119). Hier is opnieuw sprake van een verwarring, namelijk tussen ons godsbeeld en God zelf. Het klopt dat ons godsbeeld verandert, door bepaalde ervaringen, volwassenwording, etc., maar dat zegt niets over God zelf, aangezien we moeten erkennen dat we nooit zeker weten of ons idee van God overeenkomt met God zelf.

Naturalisme

God en mensen zijn volgens Hendrikse innig met elkaar verbonden. Maar niet op een manier dat God in de individuele mens zit. God gaat de individuele mens te boven en komt voort uit de interactie tussen mensen.

Eén plus één is soms méér dan twee, en dat méér zou je misschien heel voorzichtig God kunnen noemen. God ontbrandt dan als het ware aan het verkeer tussen mensen. En tússen is niet in, maar búíten. Vergelijk het maar met liefde: dat is niet iets van mensen, maar zonder mensen is het niks: liefde komt en gaat door mensen. Het is ‘iets wat groter is dan wijzelf en zonder ons is het niets’. Als ik al een definitie van God zou moeten geven, dan komt deze er wel heel dichtbij. (130)

Het blijft daarmee wel enigszins de vraag of Hendrikse in God gelooft als een ontologische entiteit, als hij zegt dat we over God niet kunnen zeggen dat hij bestaat zoals een appeltaart etc. bestaat. Dat is immers een taal-opmerking en leidt hoogstens tot een negatieve theologie.[4] Maar de vraag of God echt bestaat kan ook als ontologische vraag worden opgevat. Toch is het twijfelachtig of Hendrikse in een ontologische God bestaat. Dit wordt bijvoorbeeld gesuggereerd door zijn uitingen van naturalisme:

Ook de christelijke leer is – nog steeds – op dit antieke decor gebaseerd. We weten inmiddels beter: er is maar één werkelijkheid en daar zit niets boven of achter van een andere of hogere werkelijkheid. Voor zover de termen ‘mysterie’ en ‘God’ tot een werkelijkheid behoren, is het de onze. En of iemand al dan niet gelovig is, is af te lezen uit de manier waarop hij zich tot die ene werkelijkheid verhoudt. (94; cursief toegevoegd, T.S.)

Hendrikse citeert ook Kuitert en pater Van Kilsdonk en concludeert dat “door beiden voorgoed [is] afgerekend met enige toespeling in de richting van een bovennatuurlijk wezen. Er zit ook geen mysterie achter ons bestaan. Helemaal mee eens. … Er zit niets áchter ons bestaan, komma, ons bestaan zelf is een mysterie” (133).

Deze uitspraken impliceren dat Hendrikse een naturalist is, die het bestaan van een transcendente werkelijkheid ontkent. Daarmee is hij nog stelliger dan de naturalist Willem B. Drees, die stelt dat een naturalist ontkent dat een transcendente werkelijkheid zich in de empirische werkelijkheid laat zien; of die transcendente werkelijkheid al dan niet bestaat, daarover kan niets worden gezegd (die werkelijkheid is irrelevant).[5] Hendrikse gaat verder dan Drees en doet daarmee een metafysische uitspraak, die niet geverifieerd kan worden. Drees’ uitspraak is voorzichtiger.

Hendrikse spreekt over God als ‘afhankelijk’ van mensen: “zonder mensen gebeurt er niets: geen God zonder mensen” (92), en: “Daarom kun je beter niet zeggen dat God bestaat, maar dat God ‘gebeurt’. Of, voorzichtiger: kan gebeuren. … Áls God gebeurt, dan gebeurt dat niet zonder mensen” (126). En: “God concurreert niet met de werkelijkheid, hij is er deel van. Als hij meegaat, dan is het in die ene werkelijkheid, of in dat ene huis, waarin gelovige en wetenschapper samen leven” (80; cursief toegevoegd, T.S.).

Al deze uitspraken suggereren dat Hendrikse ook in ontologische zin een atheïst is en dus niet in een soort negatieve theologie blijft steken: Hendrikse gelooft werkelijk dat God ook in ontologische zin niet bestaat.

Religieuze taal

Het aspect van taal is reeds enige malen naar voren gekomen. Hendrikses kijk op (religieuze) taal is verward. Zo zegt hij: “Ik zoek naar andere vormen en een andere inhoud van wat onder bidden wordt verstaan. En vooral, of toch: naar andere woorden, naar taal die niet anders dan letterlijk kan worden opgevat” (142). En verderop: “Mijn uitgangspunt … is dat mensen in de kerk ‘het zo zeker niet weten’ en daarin serieus genomen dienen te worden. Dat betekent in de eerste plaat dat er geen taal wordt gesproken die anders dan letterlijk kan worden opgevat” (165v.). De religieuze taal die Hendrikse op het oog heeft, is dus taal die letterlijk opgevat moet worden. Het is niet duidelijk wat Hendrikse met ‘letterlijk opgevat’ bedoelt, maar blijkbaar is hij wars van metaforisch en symbolisch taalgebruik. Het gaat om alledaagse taal die ook in de kerk plaats moet hebben:

Maar iets anders hebben we niet, er is geen aparte Godtaal. We hebben alleen alledaagse huis-tuin-en-keukentaal. En dat is de enige taal waarin er ooit over God is en kan worden gesproken en waarin ook de bijbel is geschreven. … zij [= de bijbelschrijvers] spraken in alledaagse taal over iets waar zij eigenlijk geen woorden voor hadden. Zij deden wat wij doen, en dat heet ‘symbolisch’ over God spreken.

Eenvoudiger gezegd: met bekende woorden over iets onbekends spreken. Alles wat wij zeggen over God, zeggen we met dezelfde woorden die we gebruiken om over gewone aardse zaken te spreken. We spreken met dezelfde woorden over het bekende en het onbekende. (153v.)

Hendrikse zegt hier dat beeldend of symbolisch taalgebruik de enig mogelijke taal is om over God te spreken. Maar daarmee lijkt hij afstand te nemen van het gebruik van letterlijke taal: “Ze [= religieuze beelden] worden als het ware ‘gevuld’ met de ervaringen waarnaar ze verwijzen en zijn niet bedoeld om letterlijk te nemen. Dat doe je ook niet als iemand zegt dat hij een spijker in zijn kop heeft” (154).

Hendrikse lijkt hier niet te beseffen dat theologen al eeuwenlang hebben gezegd dat ook het spreken over het ‘bestaan’ van God niet letterlijk genomen moet worden, maar beeldend taalgebruik is: spreken in alledaagse taal over iets waar we eigenlijk geen woorden voor hebben.

Nog meer talige verwarring

Er zitten hier meer problemen. Neem nog eens de volgende (reeds in het begin geciteerde) passage waarin Hendrikse zijn positie beschrijft:

Maar God kan onmogelijk bestaan op de manier waarop een appeltaart bestaat. Anders uitgedrukt: God valt buiten de categorie van verschijnselen waarvoor het woord ‘bestaan’ zinnig kan worden gebruikt. Eenvoudiger en duidelijker: God bestaat niet. (32)

Omdat God niet bestaat op de manier waarop appeltaarten bestaan, daarom bestaat God niet. Dat argument is het fundament onder Hendrikses positie. De eerste vraag die je hierbij kunt stellen is: hoe weet Hendrikse dat God onmogelijk kan bestaan op de manier waarop een appeltaart bestaat? Hoe is Hendrikse tot deze kennis gekomen? Hij geeft hiervoor geen argumenten.

Vervolgens: Hendrikse negeert hier het feit dat er twee filosofische categorieën zijn die hij laat samenvallen. Ten eerste is er de linguïstische categorie van het spreken over God. Ten tweede is er de ontologische categorie van Gods bestaan. Hendrikse meent dat niet over Gods bestaan gesproken kan worden op dezelfde manier als over het bestaan van appeltaarten gesproken kan worden (linguïstische categorie). Hij concludeert hieruit dat God niet bestaat in ontologische zin (ontologische categorie).

Echter, dit argument is niet geldig. Het niet kunnen spreken over iets impliceert niet dat datgene dan ook niet ontologisch bestaat. Zinvol spreken over iets en het bestaan ervan staan los van elkaar. Zo kan ik zinvol over eenhoorns spreken en over Gandalf de Tovenaar, zonder dat die bestaan in ontologische zin; ze bestaan slechts binnen het kader van verhalen. Verder: mijn liefde voor een mooie vrouw kan nooit in woorden worden uitgedrukt, ieder woord lijkt zinloos en hopeloos inadequaat – maar dat betekent niet dat mijn liefde niet echt is.

Bovendien is er – zoals Hendrikse zelf toegeeft – de mogelijkheid om beeldend, dus niet-letterlijk, over zaken te spreken. Dat van iemand gezegd wordt dat hij een spijker in zijn kop heeft, is een beeld gebruiken. Maar evenzo is het christelijk spreken over het ‘bestaan’ en de ‘werkzaamheid’ van God beeldspraak en zegt het niets over Gods al dan niet bestaan. Maar die mogelijkheid wordt door Hendrikse niet gezien of vindt hij het slechts een kwestie van “bellen blazen” (cf. 33).

Besluit

Herman Philipse zei ooit: “De atheïst is niet arrogant, hij denkt gewoon beter na”.[6] Hoezeer heeft Hendrikse nagedacht? Filosofisch is zijn positie zwak en niet consistent. Theologisch heeft hij twijfelende gelovigen en religieuze zoekers weinig te bieden. Hoewel Hendrikse weliswaar afstand heeft genomen van een theïstisch godsbeeld, is hij daarmee nog geen atheïst, zoals Richard Dawkins, Sam Harris of Herman Philipse. Zij zouden Hendrikse waarschijnlijk zelfs geen atheïst noemen. Maar wat is hij dan wel? In ieder geval iemand die nog heel wat denkwerk te verrichten heeft voordat hij zich ‘atheïst’ zal kunnen noemen.

Dr. Taede A. Smedes is godsdienstfilosoof en theoloog en als postdoc-onderzoeker verbonden aan de Faculteit Godgeleerdheid van de Katholieke Universiteit Leuven.


[1] K. Hendrikse, Geloven in een God die niet bestaat: Manifest van een atheïstische dominee, Nieuw Amsterdam Uitgevers, Amsterdam 2007.

[2] http://en.wikipedia.org/wiki/Sapir-Whorf_hypothesis.

[3] Volgens Hendrikse heeft het woord ‘God’ een narratieve geschiedenis: “Zonder verhalen kon God niet ter sprake worden gebracht. En zo gaat het nog steeds. God is een vertelde God. Wat wij van God weten, komt uit verhalen van mensen” (121).

[4] Zie ook Hendrikses opmerking over negatieve theologie: 149v.

[5] “The natural world is the whole of reality that we know of and interact with; no supernatural or spiritual realm distinct from the natural world shows up within our natural world, not even in the mental life of humans. This claim I will call ontological naturalism”, W.B. Drees, Religion, Science and Naturalism, Cambridge University Press, Cambridge 1996, 12 (cursief in origineel).

[6] Geciteerd in H. Visser, Leven zonder God: Elf interviews over ongeloof, L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen 2003, 89.


Last update: Thursday, 22 May 2008

   
Quote this article in website
Favoured
Print
Send to friend
Related articles
Save this to del.icio.us

User comments  RSS feed comment
 

Average user rating

   (0 vote)

 

Display 1 of 1 comments

Hendrikse

by: Max (Guest) on 04-09-2008 10:17

Hendrikse

by: Max (Guest) on 04-09-2008 10:17

U schrijft "Theologisch heeft hij twijfelende gelovigen en religieuze zoekers weinig te bieden." Daarmee neemt u Hendrikse de maat met de verkeerde meetlat. H heeft bewust geen boek voor theologen geschreven maar inderdaad voor "twijfelende gelovigen en religieuze zoekers", meest mensen dus die geen boodschap hebben theologische hoogvliegerij en voor hen is H's boek veelal een openbaring. H slaagt waar de doorsnee theoloog faalt en wat filosofische onvolkomenheden neem ik dan graag voor lief.

 

» Report this comment to administrator

» Reply to this comment...

Display 1 of 1 comments



Add your comment

Only registered users can comment an article. Please login or register.


mXcomment 1.0.1 © 2007-2010 - visualclinic.fr
License Creative Commons - Some rights reserved