|
Below you find the project proposal (in Dutch) of the research project Evolution, humanity, and religion: A theological investigation of the content and broadness of evolutionary explanations of religion that I will start working on in September 2007. An English version or summary of the proposal will follow in due time.
Onderzoeksproject
Evolutie,
mens en religie: Een theologisch onderzoek naar de inhoud en reikwijdte van
evolutionaire verklaringen van religie
Uitvoerder: dr. Taede A. Smedes
Faculteit Godgeleerdheid, Katholieke Universiteit Leuven
Achtergrond
De hoeveelheid literatuur over de verhouding tussen
geloof en natuurwetenschap is nauwelijks nog te overzien. Bovendien wint het
onderwerp in onze in toenemende mate door wetenschap en techniek gedomineerde
samenleving nog steeds aan interesse. Sinds de jaren ‘60 van de twintigste eeuw
hebben theologen en (vaak) gelovige wetenschappers zich ingespannen om de
verhouding tussen geloof en wetenschap systematisch te doordenken. Daarbij zijn
vanuit theologisch oogpunt een viertal clusters
van vragen te ontwaren:
(1)
wetenschapstheoretische
vragen over de relatie van ‘geloven' en ‘weten' (Pannenberg 1973; Peukert 1976;
Van Huyssteen 1997; Murphy 1990; Stenmark 1995);
(2)
scheppingstheologische
vragen, met name over de verhouding tussen God en de ontwikkeling van het
universum (Clayton 2004; Stephan 2005);
(3)
vragen naar de
mogelijkheid van Gods handelen in een wereld die door natuurwetten geregeerd
wordt (Gwynne 1996; Bernhardt 1999; Smedes 20004);
(4)
antropologische
vragen gerelateerd aan een religieuze duiding van het mens-zijn (uniek,
bedoeld, geschapen naar het ‘beeld Gods'), in contrast met de verklaringen die door
evolutiebiologen worden gegeven, waarbij ook het zgn. emergentisme een grote
rol speelt.
Het voorgestelde onderzoek wil in de eerste plaats
aansluiten bij de vierde cluster van vragen, maar zal niet zonder belang zijn
voor een positiebepaling in de andere clusters.
Bij de behandeling van genoemde clusters wordt veelal
uitgegaan van vier modellen van
interactie tussen geloof en wetenschap: conflict, differentie, dialoog en
synthese (Barbour 1990; Haught 1995; Stenmark 2004). Wanneer het over
evolutietheorie en religie gaat, is er zeker in Angelsaksische literatuur een
tendens om conflict- en differentiemodellen als achterhaalde posities te
beschouwen, en naar modellen van dialoog en synthese te streven (bijv. Peacocke
1979 en 2004; Haught 2000 en 2003; ook de procestheologie valt hieronder, zie Bracken
2001). Het differentiemodel (soms in het Nederlands ‘boedelscheidingsmodel'
genoemd, zie Smedes 2004 en 2006; Van Huyssteen 1999; Gould 1999), dat de
verschillen tussen geloof en wetenschap benadrukt, is minder algemeen en wordt
vaak gezien als belemmerend voor de noodzakelijk geachte dialoog. Sommigen
diepen de verschillen tussen beide zelfs uit en poneren een kloofmodel (De Dijn
1994, cf. Boeve 1996).
Hoewel het conflictmodel
lange tijd als achterhaald werd beschouwd, is het onder de aandacht gekomen
door Amerikaanse discussies over darwinisme, ‘intelligent design' en
creationisme, die recent ook in Europa (o.m. in Nederland en vanuit Turkije) blijken
te zijn opgelaaid. Hoewel de Amerikaanse discussie met name vanuit protestantse
hoek gevoerd wordt, is ID ook aan prominente katholieke theologen niet
voorbijgegaan. Binnen de katholieke traditie is de omgang met de
evolutietheorie in het algemeen als moeizaam te karakteriseren (zie bijv.
Artigas, Glick, and Martínez 2006; De Tavernier 2006; denk ook aan Teilhard de
Chardin).[1]
Maar ook wetenschappers blijken het aloude conflict
tussen geloof en wetenschap opnieuw leven te hebben ingeblazen. Net als andere
vormen van menselijk gedrag, worden religie en moraal de laatste jaren steeds
vaker vanuit een biologisch-evolutionair perspectief bestudeerd (zie bijv.
Atran 2002). Precies dergelijke evolutionaire verklaringen van religie en
moraal worden door Richard Dawkins, Daniel Dennett en anderen gebruikt om een
atheïstisch wereldbeeld te funderen. Voor Dawkins (2006) is religie slechts een
bijproduct van hersenprocessen, en gevaarlijk bovendien. De theologie staat
hier voor de dubbele taak, enerzijds te reflecteren over de verhouding van
evolutionaire benaderingen van religie tot een theologisch zelf-verstaan, en
anderzijds een antwoord te formuleren op de met wetenschappelijke argumenten
gestaafde atheïstische religiekritiek.
Kortom: in een tijd van religieuze heropleving blijkt
de kwestie van de verhouding tussen geloof en wetenschap opnieuw aan belang te
winnen. De klassieke discussie blijkt met de verrassende opmars van
creationisme en ID, enerzijds, en de nieuwe wetenschappelijke verklaringen voor
het godsdienstige fenomeen anderzijds, weer helemaal in. Waar de enen de
evolutietheorie als een ideologische aanval op het godsdienstige wereldbeeld
afdoen, doen anderen (zoals Dawkins en Dennett), op basis van dezelfde
theorievorming, religie af als een (neven-)effect van de evolutie (en niets
meer dan dat).[2]
Opzet
Het hier voorgestelde onderzoek gaat in op de verhouding
tussen moderne evolutiebiologische ontwikkelingen en het christelijke wereld-
en mensbeeld, door te kijken naar de spanningen die lijken te bestaan tussen
evolutionaire verklaringen van religie en een christelijk-theologisch perspectief.
Het onderzoek spitst zich toe op drie velden van vragen.
1. Evolutionaire verklaringen van religie (onderzoeksduur: 5 maanden)
Binnen de evolutiebiologie is de mens een dier, dat door
mutatie en selectiedruk zijn positie in de natuur heeft gekregen. Menselijke
eigenschappen worden door middel van evolutiebiologische mechanismen verklaard.
Dat geldt niet alleen voor lichamelijke eigenschappen (bipedalisme, het
ontstaan van grote hersenen, etc.), maar sinds de opkomst van de sociobiologie
en evolutionaire psychologie geldt dit in toenemende mate ook voor geestelijke
eigenschappen als emoties en cognitie (Buskes 2006). Echter, als iedere
menselijke eigenschap een evolutionaire basis heeft, geldt dit ook religie. Het
voorgestelde onderzoek focust in het bijzonder op de vragen die voortkomen uit
deze benadering.
Religie wordt vanuit evolutiebiologisch perspectief
behandeld als een ‘aardse' fenomeen. Zo verklaren bijvoorbeeld David Sloan
Wilson, Donald Broom, en Loyal Rue religie (evenals moraal) als een vorm van
sociaal gedrag (Wilson 2002; Broom 2003; Rue 2005). Paul Bloom, Pascal Boyer,
Richard Dawkins, en Barbara King nemen hun insteek in meer
neurowetenschappelijke verklaringen van hoe menselijke hersenen werken en de
relatie tot religie (Bloom 2004; Boyer 2001; Dawkins 2006; King 2007; 2002).
Ook meer recente discussies over het ‘God-lobje' in de hersenen passen in deze
trend (Ramachandran and Blakeslee 1999; Sarot 2006). Scott Atran en Daniel
Dennett proberen de sociale en neurowetenschappelijke benaderingen aan elkaar
te koppelen (Atran 2002; Dennett 2006). Frans de Waal, Marc Hauser, en Mark
Nelissen en Piet Vroon geven goede overzichten van kennis van de evolutionaire
wortels van (moreel) gedrag (De Waal 2006; Hauser 2006; Nelissen 2005; Nelissen
(red.) 2004; Vroon 1989 en 1992). Volgende onderzoeksvragen zijn hier aan de
orde:
-
Welke
evolutionaire verklaringen van religie zijn er? Waar zitten de verschillen? Wat
zijn de vooronderstellingen van deze verklaringen?
-
Wat is ‘emergentie'
(Clayton 2004; Stephan 2005; Noble 2006; Morowitz 2002; Laughlin 2005) en wat
is de relevantie van dit begrip voor evolutionaire verklaringen van religie?
-
Is religie
wellicht een emergent fenomeen? Zo ja, in welk opzicht (neurologisch,
cultureel)? Als religie een emergent fenomeen is, hoe verhoudt zich dat tot een
evolutionaire verklaring van religie?
Veel gelovigen koesteren argwaan of zelfs vijandigheid
jegens evolutionaire benaderingen van religie, die in hun ogen naturalistisch
en reductionistisch zijn, en religie wegverklaren. God wordt tot een illusie
gereduceerd. Dennett (Dennett 1995 en 2006) en Dawkins (Dawkins 2006) zijn inderdaad
berucht om hun uitspraken dat religies illusies zijn, viruses of the mind. Zij lijken evolutionaire verklaringen van
religie te gebruiken om een atheïstische levensbeschouwing te beargumenteren en
religie als ‘achterlijk', irrationeel en zelfs gevaarlijk te bestempelen. Hun
claim is dat wie wetenschap serieus neemt, niet anders kan dan atheïst worden.
Ten aanzien van evolutionaire verklaringen, zijn de volgende vragen aan de
orde:
-
Volgt een (levensbeschouwelijk)
reductionistische of naturalistische visie op religie dwingend uit de
wetenschappelijke data en theorievorming? Of zijn er andere reacties mogelijk?
-
Waar liggen de
grenzen van de evolutiebiologie, met name wanneer het gaat om evolutionaire
verklaringen van religie? Waar ligt de grens tussen wetenschappelijke en metafysische
of religieuze (inclusief atheïstische) uitspraken? Waar wordt deze overschreden
(en treedt men zodus in een conflictmodel)?
De methode om deze vragen effectief te benaderen, is
een kritische analyse van evolutionaire verklaringsmodellen van religie. Een
dergelijke analyse zal sterk profiteren van een samenwerking tussen
evolutiebiologen, (godsdienst)filosofen en theologen. De vraag
daarbij zal zijn, in hoeverre evolutionaire verklaringen iets kunnen zeggen
over de cognitieve inhoud van het geloof en de waarheidsclaims die daaraan
verbonden worden. Kan een evolutionaire verklaring bijv. iets zeggen over het
bestaan van God? Uitgangspunt van de analyse is een differentiemodel dat
onderscheid maakt tussen een gelovig en een wetenschappelijk discours (Smedes
2006 en 2005; Boeve 2006). De hypothese is dat strikt wetenschappelijk bekeken,
een evolutionaire verklaring van religie geen uitsluitsel kan bieden inzake religieuze
waarheidsclaims. Iedere verklaring die een dergelijke pretentie wel heeft, kan
geanalyseerd worden door te kijken naar de filosofische vooronderstellingen
ervan (sciëntisme, metafysisch naturalisme, zie Stenmark 2001; Haught 2006;
Smedes 2004). Dit voert ons naar een volgend veld van vragen.
2. Evolutionaire verklaringen en ‘intelligent design' (onderzoeksduur: 3 maanden)
Een van de reacties op de evolutionaire benaderingen
van de mens, is intelligent design (ID).
ID accepteert, in tegenstelling tot creationisme, veel elementen van het
hedendaagse evolutiedenken (zie bijv. Dembski 1999; Behe 1996), maar de meeste
ID-aanhangers ontkennen dat de mens een gezamenlijke voorouder heeft met andere
organismen (Woodward 2003 en 2006). Met andere woorden: ID accepteert
micro-evolutie (evolutie binnen soorten), maar ontkent macro-evolutie (de
evolutie van de ene soort uit de andere). ID stelt dat Darwins evolutietheorie
het religieuze mensbeeld aantast, met name de uniciteit van de mens. Het mag
niet verwonderen dat ID veel kritiek van wetenschappers heeft gekregen
(bijvoorbeeld Pennock 1999; Ruse 2005; Scott 2004). Dit roept opnieuw een
aantal vragen op:
-
Wat behelst de
idee van intelligent design? Op welke
manier zet ID zich af tegen de evolutietheorie?
-
Wat zijn de
religieuze veronderstellingen van ID, met name wat betreft het gods- en
mensbeeld, mede in verband met een specifiek gebruik van de Bijbel?
-
Wat zijn de
wetenschapsfilosofische veronderstellingen van ID? Hoe zien ID-aanhangers de
demarcatie tussen ‘goede' wetenschap, in contrast met ‘ideologische'
evolutiebiologie?
-
Hoe ziet ID de
verhouding tussen evolutietheorie en moraal? Hoe beargumenteert ID dat de
evolutietheorie morele en (a-)religieuze implicaties heeft?
-
Is ID een
voorbeeld van ‘religie versus natuurwetenschap', of moet de relatie tussen ID
en wetenschap anders worden geëvalueerd?
De methode voor dit deelonderzoek omvat een kritische
analyse van een aantal prominente pro- en contra-ID auteurs om na te gaan (1)
wat de veronderstellingen zijn van ID, en (2) hoe wetenschappers de claims van
ID proberen te ontkrachten. Ook hier wordt weer uitgegaan van een
differentiemodel, waarbij de hypothese ten aanzien van ID is dat hier religieuze
en wetenschappelijke taal vermengd worden. Tegelijk zal onderzocht worden
waarom de wetenschappelijke kritiek op ID (bijvoorbeeld in de vorm van een
opsomming van bewijzen voor evolutie) zo weinig doel treffen. De te valideren
stelling daarbij is, dat het bij ID niet zozeer gaat om wetenschap, maar dat er
onder de benadering van ID een sterke sociaal-culturele agenda schuil gaat, die
zich keert tegen een sociaal-darwinistische interpretatie van de
evolutietheorie.
3. Naar een correcte bemiddeling (onderzoeksduur: 4 maanden)
Ten slotte betreft dit onderzoeksvoorstel de vraag
naar een correcte bemiddeling tussen evolutionaire verklaringen en religie.
Enerzijds dient zo'n bemiddeling recht te doen aan de wetenschappelijke data en
theorievorming. Bovendien dient dergelijke bemiddeling het verschil te
respecteren tussen religieus/levensbeschouwelijk en wetenschappelijk
taalgebruik en een vermenging van beide voorkomen. In de mate dat ID en andere
vormen van creationisme geanalyseerd kunnen worden als vermenging van
taalspelen, tasten ze de integriteit van wetenschappelijk onderzoek aan. Dit
betekent tegelijk dat een kritische bevraging nodig is aangaande de validiteit
van metafysische en atheïstische gevolgtrekkingen uit wetenschappelijk
onderzoek, zoals dit bij o.m. Dawkins' atheïsme het geval is.
Anderzijds wil zo'n bemiddeling ook recht doen aan de
wijzen waarop religieuze gemeenschappen zichzelf verstaan. Net zoals er een
discrepantie is tussen een neurologische ‘derde-persoons-beschrijving' van hersenprocessen
tijdens een ervaring en de ‘eerste-persoonsbeschrijving' van diezelfde
ervaring, zo ook doet zich een discrepantie voor tussen de wetenschappelijk-evolutionaire
verklaring van religie en de religieuze beleving van gelovigen. Het is daarbij zeker
de vraag of deze discrepantie overbrugd kan (en moet) worden - een vraag die
weliswaar wordt opgeroepen door dit onderzoek, maar het bestek van het huidige
onderzoeksvoorstel ook te buiten gaat. Het helder krijgen van de aard van de
discrepantie is zeker een oogmerk van huidig onderzoek.
De aard en het doel van een theologische bemiddeling,
zoals die in dit onderzoek zal worden uitgewerkt, is (1) om theologische
kritiek te leveren op het levensbeschouwelijk gebruik van wetenschap, (2) om
het onderscheid tussen een religieus en natuurwetenschappelijk discours
helderder te maken, en (3) om te laten zien dat veel schijnbare conflicten
tussen geloof en wetenschap in werkelijkheid conflicten zijn tussen
levensbeschouwingen onderling, waarin wetenschap vooral verkeerdelijk als bron
van legitimatie functioneert. (4) Tegelijk, in voorbereiding van verder
onderzoek, wordt een eerste stap gezet naar het detecteren van vaak indirecte
beïnvloeding van levensbeschouwing/geloof en wetenschap op elkaar (en in de
mate ze bijvoorbeeld de context waarin de ander functioneert grondig gaan
bepalen).
Ten slotte zullen verschillende differentiemodellen
(bijv. Van Huyssteen 1999; Gould 1999; De Dijn 1994 en 2006; Boeve 2006;
Brümmer 1991 en 2006) worden onderzocht op hun vooronderstellingen, en zullen
ze onderling worden vergeleken. Ook zal worden onderzocht waar onderlinge
verschillen en overeenkomsten liggen, en hoe deze modellen voor een verdere
constructieve dialoog tussen theologie en natuurwetenschap vruchtbaar gemaakt
kunnen worden.
Werkplan
& methodologische aanvullingen
Zoals opgegeven zal het basiswerk van het onderzoek
van de drie genoemde onderdelen verricht worden in het eerste jaar. De output
van het onderzoek zal vorm krijgen in artikelen in internationale vaktijdschriften
(zoals Zygon en Theology and Science), lezingen en congresbijdragen (zoals tijdens
de ESSSAT conferentie in Sigtuna, in
2008). In het tweede jaar zou dan een verdere verdieping van deze drie samenhangende
deelonderzoeken uitgewerkt worden. Tegelijk engageert de uitvoerder van het
onderzoek (Smedes) zich om verantwoordelijkheid te nemen in de opstart en
uitbouw van het overlegplatform dat gevormd wordt, en voor
onderzoeksinitiatieven die in dit verband zullen worden uitgewerkt.
Bij het onderzoek zal - in het kader van het
overlegplatform - gebruik worden gemaakt van de natuurwetenschappelijke
(biologische, paleoantropologische) en godsdienstfilosofische expertise die er
bij de K.U. Leuven voorhanden is. Het onderzoek zal hoofdzakelijk bestaan uit literatuurstudie,
waarbij de vraag, hoe theologisch kan worden omgegaan met evolutionaire
verklaringen van religie en met ID, centraal staat. De voornaamste methode die
gevolgd wordt, is die van godsdienstwijsgerige en theologisch-epistemologische conceptuele
analyse, waarbij gekeken wordt naar hoe bepaalde theologische en
natuurwetenschappelijke begrippen worden gebruikt in verschillende contexten
(Wilson 1966; Brümmer 1995; Buekens 2003). De hoop is dat dit onderzoek uiteindelijk
voorbereidend kan zijn op de aanvraag van een groter interdisciplinair project aangaande
de studie van de verhouding tussen geloof en natuurwetenschap.
Bibliografie
Artigas M, Glick T.F, and Martínez R.A. 2006. Negotiating Darwin:
The Vatican
Confronts Evolution, 1877-1902. Baltimore:
The Johns Hopkins University
Press.
Atran S. 2002. In Gods We Trust:
The Evolutionary Landscape of Religion. New York/Oxford: Oxford University
Press.
Barbour I.G. 1990. Religion in an
Age of Science: The Gifford Lectures 1989-1991 Volume 1. London: SCM Press.
Behe M.J. 1996. Darwin's Black
Box: The Biochemical Challenge to Evolution. New York: The Free Press.
Bernhardt R. 1999. Was Heisst ‘Handeln
Gottes'? Eine Rekonstruktion der Lehre von der Vorsehung. Gütersloh: Chr.
Kaiser/Gütersloher Verlagshaus.
Bloom P. 2004. Descartes' Baby:
How Child Development Explains What Makes Us Human. New York: Basic Books.
Boeve L. 1996. "Hoe overleven we de kloof tussen kennis en leven?
Een theoloog over de uitdagende ideeën van Herman De Dijn", Tijdschrift voor theologie 36 (1996)
221-245.
-----. 2006. God onderbreekt de geschiedenis: Theologie in tijden van ommekeer. Kapellen:
Uitgeverij Pelckmans.
Boyer P. 2001. Religion Explained:
The Evolutionary History of Religious Thought. New York: Basic Books.
Bracken J. 2001. The One in the
Many: A Contemporary Reconstruction of the God-World Relationship. Grand Rapids, MI:
Eerdmans.
Broom D.M. 2003. The Evolution of
Morality and Religion. Cambridge:
Cambridge University Press.
Brümmer, V. 1991. "Introduction: A dialogue of language games". In V.
Brümmer (ed.), Interpreting the Universe
as Creation: A Dialogue of Science and Religion. Kampen: Kok Pharos, 1-17.
-----. 19954. Wijsgerige
begripsanalyse: Een inleiding voor theologen en andere belangstellenden.
Kampen: Kok.
-----. 2006. Brümmer on Meaning and the Christian Faith: Collected
Writings of Vincent Brümmer. Aldershot: Ashgate.
Buekens, F. 2003. Grammatica van concepten: Een inleiding tot
de filosofie. Leuven/Leusden: Acco.
Buskes C. 2006. Evolutionair denken: De invloed van Darwin
op ons wereldbeeld. Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds.
Clayton P. 2004. Mind & Emergence: From Quantum to Consciousness. Oxford: Oxford University
Press.
Coyne G.V. 2005. "God's Chance Creation", The Tablet, 6 augustus 2005, 6-7.
Dawkins R. 2006. The God Delusion.
London: Bantam
Press.
De Dijn H. 1994. Kan kennis
troosten? Over de kloof tussen weten en leven,
Kapellen: Pelckmans/Kampen: Kok..
-----. 2006. Religie in de 21ste eeuw: Kleine handleiding
voor voor- en tegenstanders. Pelckmans: Kapellen/Kampen: Klement.
Dembski W.A. 1999. Intelligent
Design: The Bridge Between Science & Theology. Downers Grove, Ill.:
InterVarsity Press.
Dennett D.C. 1995. Darwin's Dangerous Idea: Evolution and the
Meanings of Life. New York:
Simon & Schuster.
-----. 2006. Breaking the Spell:
Religion as a Natural Phenomenon. New
York: Viking.
Gould, S.J. 1999. Rocks of Ages:
Science and Religion in the Fulness of Life. New York: Ballantine.
Gwynne P. 1996. Special Divine
Action: Key Issues in the Contemporary Debate. Rome: Editrice Pontificia Universita
Gregoriana.
Haught J.F. 1995. Science &
Religion: From Conflict to Conversation. Mahwah, NJ:
Paulist Press.
-----. 2000. God After Darwin: A Theology of
Evolution. Boulder, CO: Westview Press.
-----. 2003. Deeper than Darwin: The Prospect for
Religion in the Age of Evolution. Boulder,
CO: Westview Press.
-----. 2006. Is Nature Enough:
Meaning and Truth in the Age of Science. Cambridge: Cambridge University
Press.
Hauser M.D. 2006. Moral Minds: How
Nature Designed Our Universal Sense of Right and Wrong. New York: HarperCollins.
Van Huyssteen JW. 1997. Essays in
Postfoundationalist Theology. Grand
Rapids, MI: Eerdmans.
-----. 1999. The Shaping of
Rationality: Toward Interdisciplinarity in Theology and Science. Grand Rapids, MI:
Eerdmans.
John Paul II 1988. "Message of His Holiness Pope John Paul II, to the
Reverend George V. Coyne, S.J.", in R.J. Russell, W.R. Stoeger, G.V. Coyne
(eds.), Physics, Philosophy and Theology:
A Common Quest for Understanding. Vatican City State:
Vatican Observatory, M1-M14.
King B.J. 2007. Evolving God: A
Provocative View on the Origins of Religion. New York: Doubleday.
Laughlin R.B. 2005. A Different
Universe: Reinventing Physics from the Bottom Up. New York: Basic Books.
Morowitz H.J. 2002. The Emergence
of Everything: How the World Became Complex. Oxford: Oxford University
Press.
Murphy N. 1990. Theology in the
Age of Scientific Reasoning. Ithaca/London: Cornell University
Press.
Nelissen M. 2005. De bril van Darwn: Op zoek naar de wortels
van ons gedrag. Tielt: Lannoo.
Nelissen, M. (red.).
2004. Waarom we willen wat we willen: De
invloed van de evolutie op wat we kopen, wat we doen, wie we graag zien en wie
we zijn. Tielt: Lannoo.
Noble D. 2006. The Music of Life:
Biology Beyond the Genome. Oxford:
Oxford University Press.
O'Leary D. 2006. Roman Catholicism
and Modern Science: A History. New York/London: Continuum Press.
Pannenberg W. 1973. Wissenschaftstheorie
und Theologie. Frankfurt a.M.: Suhrkamp Verlag.
Peacocke A.R. 1979. Creation and
the World of Science: The Bampton Lectures, 1978. Oxford: Clarendon Press.
-----. 2004. Evolution: The
Disguised Friend of Faith? Selected Essays. Philadelphia/London: Templeton
Foundation Press.
Pennock R.T. 1999. Tower of Babel: The Evidence Against the New Creationism.
Cambridge,
Mass.: The MIT Press.
Peukert H. 1976. Wissenschaftstheorie,
Handlungstheorie, Fundamentale Theologie: Analysen zu Ansatz und Status
theologischer Theoriebildung. Düsseldorf: Patmos Verlag.
Pyysiäinen, I. and V. Anttonen (eds.).
2002. Current Approaches in the Cognitive
Science of Religion. London/New York: Continuum
Press.
Ramachandran V.S, and Blakeslee S. 1999. Phantoms in the Brain: Probing the Mysteries of the Human Mind. New York: Quill.
Rue L. 2005. Religion is not about
God: How Spiritual Traditions Nurture Our Biological Nature and What To Expect
When They Fail. New Brunswick,
NJ: Rutgers University
Press.
Ruse M. 2005. The Evolution-Creation Struggle. Cambridge, Mass.:
Harvard University Press.
Sarot M. 2006. "Is geloof
niets meer dan een weeffoutje in de hersenen?". In: idem, De goddeloosheid van de wetenschap: Theologie, geloof en het gangbare
wetenschapsideaal. Zoetermeer: Meinema, 32-44.
Schönborn, C. 2005. "Finding Design in Nature", New York Times, 7 juli 2005, online te vinden op:
http://www.millerandlevine.com/km/evol/catholic/schonborn-NYTimes.html.
Scott E.C. 2004. Evolution vs. Creationism: An Introduction. Berkeley: University of California Press.
Smedes T.A. 2004. Chaos,
Complexity, and God: Divine Action and Scientism. Leuven: Peeters.
-----. 2005. "God, geloof
en natuurwetenschap: vragen naar zin of onzin?". In: B Voorsluis (red.), Ongekend Nieuwsgierig: Zinvragen en
wetenschap. Zoetermeer: Meinema, 70-86.
-----. 2006. God en de menselijke maat: Gods handelen en
het natuurwetenschappelijk wereldbeeld. Zoetermeer: Meinema.
Stenmark M. 1995. Rationality in
Science, Religion, and Everyday Life: A Critical Evaluation of Four Models of
Rationality. Notre Dame: University
of Notre Dame Press.
-----. 2001. Scientism: Science,
Ethics and Religion. Aldershot: Ashgate.
-----. 2004. How to Relate Science
and Religion: A Multidimensional Model. Grand Rapids, MI: Eerdmans.
Stephan A. 2005. Emergenz: Von der
Unvorhersagbarkeit zur Selbstorganisation. Paderborn: Mentis Verlag.
De Tavernier, J. 2006. "Toeval
of ontwerp? Theologie over evolutiebiologie", Tijdschrift voor Theologie 26 (2006), 220-242.
Vroon P. 1989. Tranen van de krokodil: Over de snelle
evolutie van onze hersenen. Amsterdam: Ambo.
-----. 1992. Wolfsklem: De evolutie van het menselijk
gedrag. Amsterdam: Ambo.
De Waal F. 2006. Primates and
Philosophers: How Morality Evolved. Princeton:
Princeton University Press.
Wilson D.S. 2002. Darwin's Cathedral: Evolution, Religion, and the
Nature of Society. Chicago/London: The University of Chicago
Press.
Wilson J. 1966. Thinking with
Concepts. Cambridge:
Cambridge University Press.
Woodward T. 2003. Doubts about Darwin: A History of
Intelligent Design. Grand Rapids,
MI: Baker Books.
-----.
2006. Darwin
Strikes Back: Defending the Science of Intelligent Design. Grand Rapids, MI: Baker Books.
[1] Recent
was er nog een affaire over de Oostenrijkse kardinaal Schönborn, die op 7 juli
2005 een essay in de New York Times
publiceerde, met de titel "Finding Design in Nature" (Schönborn 2005). Daarin
verklaarde hij dat iedereen die de overweldigende hoeveelheid bewijs voor
ontwerp in de natuur ontkent, van biologie geen wetenschap, maar ideologie
maakt. Dit essay, waarin Schönborn ID omarmde, zorgde wereldwijd voor veel
ophef, en wakkerde de angst bij (ook katholieke) wetenschappers aan, dat de
R.-K. Kerk zich nu tot ID-achtige theorieën zou wenden (O'Leary 2006, 213-218).
De hoofdastronoom van het Vaticaan, George Coyne, reageerde prompt en
herinnerde onder meer aan de verklaring van de Internationale Theologische
Commissie van 2004 over gelovig mensbeeld en schepping (Coyne 2005). In recente
ontwikkelingen binnen de katholieke theologie wordt, meer dan in veel andere
christelijke theologische stromingen, uitgegaan van een differentiemodel tussen
geloof en wetenschap (bijv. Boeve 2006). Dit was ook het standpunt van paus
Johannes Paulus II, die zich ingespannen heeft om de dialoog tussen religie en
wetenschap te bevorderen, en van mening was dat "both religion and science must
preserve their autonomy and their distinctiveness" (John Paul II 1988, M8; zie
ook O'Leary 2006, 196). Toch bleef ook Johannes Paulus II problemen hebben met
Darwins evolutietheorie (zie O'Leary 2006, 206v.).
[2] Ook
in Vlaanderen blijken momenteel veel vragen te leven over zowel ID, de relatie
tussen geloof en de evolutietheorie als het neodarwinisme te leven. Op de
openingsavond van de tentoonstelling ‘Leven in Steen' stelden de organisatoren
uitdrukkelijk stelling te willen nemen tegen ieder die de wetenschappelijkheid
van de evolutie in vraag durfde te stellen. Ook de invloed van de Stichting
CreaBel (‘creationisme in België', al bijna 20 jaar actief), blijkt toegenomen
te zijn. De grote Belgische interesse bleek ook uit de vele reacties op
artikelen over ID in het populair-wetenschappelijke tijdschrift EOS (juni 2006), en uit de hoge opkomst
bij het Vliebergh-Sencie-congres over geloof en wetenschap, dat in augustus
2006 door de Faculteit Godgeleerdheid aan de K.U. Leuven werd georganiseerd.
|