Theologie en/van bodemmanagement

 

Lezing voor Sectie Bodemmanagement van de Vereniging Voor Milieukundigen

Houten, 25 mei 2004

 

Dr. Taede A. Smedes

Faculteit Godgeleerdheid, Universiteit Leiden

 

1. Inleiding

Een theoloog is iemand die zich met godsdienst bezighoudt, die reflecteert op religieuze uitingen van gelovigen en daar met behulp van filosofisch-analytische instrumenten een bepaalde systematiek in poogt te ontdekken. Maar als ik als een theoloog me bezighoudt met geloofsuitspraken, waarom zou ik me dan bezighouden met bodemmanagement? Mijn persoonlijke en professionele interesse ligt bij de interactie tussen godsdienst en natuurwetenschap. Nu worden discussies omtrent die interactie normaliter gevoerd op een abstract-theoretisch niveau, als een discussie zuiver tussen intellectuelen. Door mijn werk bij Bioclear, in het eerste halfjaar van 2003, kreeg ik de kans om een heel praktische en concrete insteek te nemen en niet zozeer op het theoretische niveau te blijven hangen, maar ook meer concreet een bijdrage te leveren aan een heel specifiek vakgebied. Bovendien heeft het willen bijdragen aan een discussie op een niet-theologisch vakgebied te maken met mijn persoonlijke overtuiging dat theologen en godsdienstfilosofen een bepaalde maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben. Hoewel theologen en godsdienstfilosofen vaak op een theoretisch niveau bezig zijn, hebben ze, als deelnemers aan de maatschappij, ook de taak om daar waar godsdienstige factoren in maatschappelijke discussies een rol (kunnen) spelen, een bijdrage te leveren. Deze laatste zin kan al aanleiding geven tot een aantal vragen, want op welke manier spelen godsdienstige factoren dan een rol in bodemmanagement? Ik kom daar zodadelijk op terug. Allereerst wil ik in het kort vertellen wat ik de komende drie kwartier ga doen.

     Het rapport Staande op Heilige Grond bestaat feitelijk uit drie onderdelen die ik in wat volgt schematisch ga behandelen. Allereerst ga ik in op de vraag wat godsdienst en bodemmanagement elkaar te zeggen hebben. Vervolgens ga ik in op de relatie God-mens-natuur zoals die in de christelijke scheppingsleer, en dan met name in de scheppingsverhalen, tot uitdrukking wordt gebracht. Tenslotte zal ik kort ingaan op een model waarin de christelijke scheppingsleer, bodemmanagement en het gebruik van technologie bij elkaar worden gebracht door uit te gaan van de mens als een ‘geschapen mede-schepper’.

 

2. Godsdienst en bodemmanagement

Zoals ik in de inleiding reeds aangaf, is het niet direct duidelijk wat godsdienst en bodemmanagement met elkaar te maken hebben. Immers, in onze huidige cultuur spelen godsdienstige argumenten eigenlijk nauwelijks nog een rol van betekenis in publieke discussies. Sommige filosofen menen zelfs dat godsdienst helemaal uit de publieke sector zou moeten verdwijnen, geheel teruggebracht tot een privé-aangelegenheid. Ik ben het grondig met dergelijke filosofen oneens. Het mag dan zo zijn dat inhoudelijke discussies over godsdienstige zaken nauwelijks in de publieke sector een rol spelen, impliciet speelt godsdienst wel degelijk een rol van betekenis. Want wat is godsdienstig geloof eigenlijk? Is het een aannemen van onbewezen stellingen? Is het bestaan van God een soort van quasi-wetenschappelijke hypothese? Zo wordt vaak tegen religieus geloof aangekeken. Als theoloog denk ik dat religieus geloof iets anders is. Religieus geloof is een bepaalde manier van tegen de wereld aankijken, een bepaalde houding ten aanzien van de werkelijkheid, die ook het handelen van mensen bepaalt. Veelal is religieus geloof impliciet aanwezig en uit het zich in de manier waarop mensen bepaalde beslissingen nemen om te handelen, en in de redenen die ze geven om die beslissingen te motiveren. Religieus geloof is dus een onderdeel van een wereldbeeld, of, om een term van de milieufilosoof Wim Zweers[1] te gebruiken, een grondhouding.

Een grondhouding of wereldbeeld bevat ook de normen en waarden die het handelen van individuen bepalen; die kunnen gekoppeld zijn aan een geloofsovertuiging. Volgens Zweers komen in een grondhouding twee elementen samen die onze kijk op en onze houding ten aanzien van de werkelijkheid bepalen: een bepaalde metafysica (d.w.z. een beeld van hoe de wereld en de natuur in elkaar zit) en een wijsgerige antropologie (d.w.z. hoe over de mens en over zijn plaats en rol in de wereld gedacht wordt). Als het zo is dat godsdienst nog altijd een onderdeel vormt van die grondhouding – onze Nederlandse normen en waarden hebben immers hun wortels in een christelijke cultuur, en ook veel Nederlanders identificeren zich nog met een religieuze traditie – dan is godsdienst nog wel degelijk een factor om rekening mee te houden.

     Laten we vervolgens eens naar bodemmanagement kijken. Bodemmanagement is een onderdeel van een bredere verzameling vragen omtrent de omgang met het milieu. Nu heeft het christelijk geloof in de geschiedenis vaak een ambivalente rol gespeeld wanneer het gaat om de omgang met de natuur. In mijn rapport spreek ik dan ook (in navolging van de Amerikaanse theoloog Paul Santmire) van een “dubieuze erfenis van het christendom”, aangezien theologen ook vaak het misbruik van de natuur gelegitimeerd hebben aan de hand van de idee dat bij de schepping God de mens boven de natuur heeft gesteld, zodat de mens naar eigen believen gebruik van die natuur en haar bronnen kan en mag maken (een interpretatie die vooral door het Verlichtingsdenken populair is geworden, maar die vandaag de dag door bijbelwetenschappers sterk in twijfel wordt getrokken). Onder invloed van ontwikkelingen in de bijbelwetenschappen, maar ook onder invloed van nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen die aantonen hoezeer de mens de natuur schade kan toedienen, benadrukken huidige theologen juist het feit dat de mens een onderdeel van de natuur is. Er is dus niet alleen sprake van een verandering van het religieuze natuurbeeld, maar daarmee ook een verandering van het mensbeeld, met name de rol van de mens in de natuur.

     Zoals ik het kan zien, staat ook in bodemmanagement centraal het besef dat mensen deel uitmaken van de biosfeer, en daarmee van een natuurlijk web van betrekkingen en interacties waarbinnen alles op een of andere wijze verbonden is met al het overige. Bodemmanagers hebben zich dan tot taak gesteld om de bodem te beheren, te beschermen en zo nodig te saneren. Echter, Sytze Keuning heeft in een artikel in het Milieutijdschrift ArenA betoogd dat bodemmanagement naast het operationele en strategische niveau van beheer, bescherming en sanering, nog een ethisch niveau kent.[2] Het is vooral op het ethische niveau dat theologische reflectie van belang is en waar dus de connectie zit tussen theologie en bodemmanagement.

 

3. Het ethische en religieuze niveau van bodemmanagement

Volgens Keuning verkeert de bodemmanager in een spanningsveld “tussen enerzijds de functionele of economische waarde van de bodem en anderzijds de instrinsieke of ecologische waarde” ervan.[3] De spanningen komen voort uit de belangen die verschillende partijen hebben, en de daaruit voortkomende verschillen in perspectief op het gebruik en de functie van de bodem. Het gaat er hier volgens Keuning niet om wie er nu gelijk heeft, want ieder perspectief moet als gelijkwaardig worden beschouwd. De spanningen kunnen en hoeven dus niet opgelost te worden, maar moeten hanteerbaar worden gemaakt om bepaalde beslissingen te nemen. En dat is volgens Keuning nu precies wat een bodemmanager doet: de spanningen hanteerbaar maken. Daarmee is de bodemmanager een paradoxmanager. Dit betekent al dat de praktijk van bodemmanagement niet slechts de bodem en eventuele verontreiniging betreft, maar ook gaat over menselijke belangen, waarden en normen, kortom: de ethische dimensie.

     Een bodemmanager is dus een paradoxmanager, iemand die de spanning draaglijk maakt om zo beslissingen te kunnen nemen. Paradoxmanagement draait ook om beleid, niet alleen om de uitvoering ervan, maar ook de vorming ervan. En bij beleidvorming is dan een belangrijke factor het bewustzijn van het belang van de bodem en van bodemsanering: hoe men dus tegen de bodem aankijkt, hoe men de bodem beleeft en waardeert. Een bodemmanager zou strategisch kunnen inspelen op dit bewustzijn, het bewustzijn kunnen vormen (ook dat zie ik als een taak van de bodemmanager) en daarmee ook het beleid kunnen vormen of draagvlak voor beleid kunnen creëren. Hoe mensen de bodem beleven en er tegen aan kijken is een belangrijke factor in het creëren van draagvlak voor beleid, en ook daar moet de bodemmanager zich mee bezighouden.

     Echter, om dit goed te kunnen doen, is het voor bodemmanagers van belang om zich bewust te zijn van de verschillende factoren die in het bewustzijn en de beleving van de bodem een rol spelen. Godsdienst is daarbij ook een belangrijke component, in ieder geval op een drietal manieren:

1.    Binnen onze Westerse cultuur speelt godsdienst nog altijd een grote rol. Gelovigen zien de wereld vanuit een bepaald perspectief, als Gods schepping. Hoe mensen deze wereld, de bodem, maar ook hun eigen rol als mens in het geheel, beleven en waarderen hangt derhalve samen met hun ideeën omtrent de relatie tussen God en de wereld-als-schepping.

2.    Godsdienst speelt ook een rol wanneer de bodemmanager als professional zelf aanhanger van een geloofsrichting is, en derhalve zijn/haar functie uitoefent (gedeeltelijk) vanuit religieuze motivaties en ideeën.

3.    Tenslotte, hoewel door sociale wetenschappers benadrukt wordt dat onze huidige Westerse maatschappij grotendeels geseculariseerd is, moet wel worden bedacht dat het Westerse normen- en waardenpatroon diepgaand beïnvloed is door en gestructureerd is door een joods-christelijk wereldbeeld. Met andere woorden: de normen en waarden die zowel gelovigen als niet-gelovigen hanteren zijn veelal onbewust geworteld in een joods-christelijk denkkader. De bodemmanager moet zich van die wortels bewust zijn, om de drijfveren van mensen te kunnen begrijpen en de spanningen die er wellicht uit voortkomen te kunnen hanteren.

Aangezien de bodem een onderdeel van de natuur is, is het goed om te kijken hoe in de christelijke traditie over de natuur werd gedacht. In dat geval moeten we kijken naar de zogenaamde scheppingsleer. In de christelijke scheppingsleer wordt de wereld niet als een zinloos geheel beschouwd, dat door louter toeval is ontstaan, maar wordt ervan uitgegaan dat de wereld zinvol is. De wereld is gewild door een transcendente Schepper-God, die, volgens de bijbel, de wereld geschapen heeft om een relatie met zijn schepselen aan te kunnen gaan. Met andere woorden, in de christelijke scheppingsleer wordt gereflecteerd op de godsdienstige uitspraak dat de wereld door God geschapen is. Centraal binnen de scheppingsleer staat derhalve de relatie tussen God, mens, en wereld.

 

4. Elementen van de christelijke scheppingsleer

Bij een uitgebreide bespreking van de christelijke scheppingsleer zou ook de Godsleer besproken moeten worden, dat wil zeggen, een analyse van de wijzen waarop over God gesproken wordt. Ik zal dat hier achterwege laten en direct verdergaan naar een aantal elementen van het christelijk scheppingsverhaal die laten zien wat voor een belangrijke rol de aarde, dat wil zeggen: de bodem, speelt in het scheppingsproces.

     In Genesis 1:1-8 wordt verteld hoe God drie ‘scheidingen’ aanbrengt (dag/nacht; boven/beneden; water/land), die de fundamentele indelingen zijn van tijd en ruimte. De verzen 11-25 spreken vervolgens over het ontstaan van flora en fauna. De mens, tenslotte, komt vanaf vers 26 ter sprake. Ik zal me eerst richten op de schepping van flora en fauna. In Genesis wordt verteld hoe God aan de aarde (lees: grond, bodem) de opdracht geeft om planten en bomen voort te brengen. God schept de bomen en planten dus niet zelf, direct, zoals hij later bij de dieren en mensen doet, maar geeft de opdracht en daarmee de verantwoordelijkheid over aan de aarde zelf! De aarde wordt daarmee een actieve, machtige entiteit die leven voortbrengt; tegelijkertijd is de grond en de bodem ook de omgeving voor een variëteit aan levensprocessen. De bodem wordt dus in Genesis als een actieve krachtbron gezien, een krachtveld. Zonder de aanwezigheid van de aarde kan er geen leven gedacht worden.

     Aan de grond wordt dus de opdracht en de macht gegeven om het groen voort te brengen. De schrijver van Genesis geeft vervolgens aan dat God de zee- en luchtdieren direct schept, en daarna de landdieren. Maar met het scheppen van de landdieren is iets eigenaardigs aan de hand. Hierin namelijk komt uitdrukkelijk de schakeling tussen de levenschenkende bodem en Gods handelen naar voren, zoals wordt beschreven in verzen 24 en verder: “En God zei: ‘Het land moet levende wezens voortbrengen van allerlei soort: tamme dieren, kruipende dieren, en wilde beesten van allerlei soort.’ En zo gebeurde het. God maakte de wilde beesten op het land, soort na soort, de tamme dieren, soort na soort, en alles wat over de grond kruipt, soort na soort. En God zag dat het goed was.” Hieruit wordt duidelijk dat voor de schrijver de activiteiten van de bodem en Gods handelen zeer nauw op elkaar betrokken zijn. Dat de bodem leven voortbrengt, wordt gezien als een handeling Gods. Dat de aarde bevolkt is met allerlei soorten dieren en planten en dat ze in staat zijn zichzelf voort te planten, is een uitwerking van Gods zegen, en daarmee in de ogen van de bijbelschrijver een handeling Gods. De consequentie hiervan is, dat wanneer mensen de bodem vervuilen en daarmee de levenschenkende kracht ervan aantasten, zij daarmee God min of meer tegenwerken.

     Verder valt op dat nergens wordt gesproken van een ‘nut’ dat de aarde, de planten of de dieren zouden hebben, noch voor God noch voor de te scheppen mens. Ook in de rest van de Bijbel komen utiliteitsaspecten sporadisch voor, behalve dan dat af en toe (zoals in Psalm 104 en Job 39-41) wordt beschreven hoe God geniet van zijn schepselen. Aarde, dieren en planten zijn dus – zo lijken de bijbelschrijvers te suggereren – geschapen omwille van henzelf: ze hebben een intrinsieke waarde omdat ze door God geschapen zijn en het fiat van Gods zegen hebben meegekregen.

 

5. Elementen van een christelijke antropologie

Laten we ook eens naar het mensbeeld kijken. Kan er in het scheppingsverhaal in Genesis ook iets worden afgeleid met betrekking tot een visie op de rol van de mens in de natuur, en met name ten aanzien van de bodem? Vanaf Genesis 1:26 wordt verhaald van de schepping van de mens. God besluit de mens te scheppen, zodat die kan “heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt” (vers 26). God schept dan de mens “als het beeld van God” (27), mannelijk en vrouwelijk, en geeft aan hen dezelfde zegen als aan de dieren: de oproep om vruchtbaar en talrijk te worden, en (als extra opdracht), te heersen over de dieren.

     Hoe de bijbelschrijvers nu precies de status van de mens hebben beoordeeld is onmogelijk te achterhalen. Het is de uitleg van de mens als beeld Gods en de opdracht om te heersen die door verschillende milieufilosofen en theologen is aangewezen als de bron van veel ellende in de verhouding tussen mens en natuur en die te vaak als legitimering voor een willekeurig handelen van de mens ten aanzien van de natuur heeft gediend. Maar, zoals ik nog zal laten zien, hebben ook de bijbelschrijvers reeds een bepaald besef gehad van de ambivalente relatie tussen mens en natuur.

     Die ambivalentie komt reeds naar voren wanneer we kijken naar het tweede scheppingsverhaal in Genesis 2:4vv. In dit tweede verhaal komt, voor wie goed leest, de rol alsmede het tragische lot van de bodem duidelijk naar voren. In Genesis 2:7 wordt beschreven hoe God als een pottenbakker een mens boetseert “uit stof dat Hij van de aarde nam”. Er is hier sprake van een woordspel: de mens (adam) wordt gemaakt uit de bodem (adamah, hetgeen ook ‘akker’ kan betekenen). In naam en dus in identiteit is de mens verwant aan zijn oorsprong: de bodem waaruit hij is voortgebracht. God ziet de eenzaamheid van de mens, en besluit om de mens dan een metgezel te geven: “Toen boetseerde de HEER God uit de aarde alle dieren op het land en alle vogels van de lucht, en bracht die bij de mens, om te zien hoe hij ze zou noemen...” (2:18). Net als in het eerste scheppingsverhaal worden de dieren hier direct met de bodem en de handelende activiteit van God in verband gebracht door middel van een oorsprongsrelatie. Wanneer God uiteindelijk de vrouw schept uit de rib van Adam, komt daarin tot uitdrukking dat de vrouw in zekere zin verder van de bodem af staat dan de man.

     Het verdere verhaal is een archetypische vertelling over de verleiding door de slang, de vrouw (Eva, ‘leven’) die van de verboden vrucht neemt en ook de man in de neergang van de mensheid meesleurt. Traditioneel worden deze dramatische gebeurtenissen met het zware woord ‘zondeval’ aangeduid. Wat echter niet altijd duidelijk is, is dat de mensen de bodem, die, zoals we hebben gezien, zo’n belangrijke rol krijgt toebedacht, in hun neergang meesleuren. Mens en bodem zijn aan elkaar verbonden, en daarmee hun beider lot. Na hun daad worden de mensen door God uit het paradijs verdreven, en daarbuiten spreekt God de mensen toe (Genesis 3:17-19):

 

“Omdat je hebt geluisterd naar je vrouw en hebt gegeten van de boom die Ik je had verboden,

Zal de grond (of: akker) vervoloekt zijn omwille van jou!

Zwoegend zul je van hem eten,

Alle dagen van je leven.

Distels en doorns zal hij voortbrengen,

Met veldgewas moet jij je voeden.

In het zweet zul je werken voor je brood,

Tot je terugkeert naar de grond,

Waaruit je bent genomen: je bent stof (of: akkergrond),

En tot stof keer je terug.”

 

De aardbodem, die door God zo goed was geschapen, wordt nu, door toedoen van de mens, vervloekt. Opnieuw komt sterk het motief naar voren waar bodem, mens en God aan elkaar gerelateerd worden, en waar bijna van een bepaald ecologisch besef sprake lijkt: wat er met een van deze partijen gebeurt, heeft consequenties voor de twee anderen. In het scheppingsverhaal wordt duidelijk hoe in de joods-christelijke grondhouding het natuurbeeld een symbiose aangaat met het mensbeeld. Maar ook wordt duidelijk dat de joods-christelijke grondhouding doordrongen is van het besef dat de verhouding tussen mens en natuur fundamenteel verstoord is – een verstoring die aan de hoogmoed van de mens, die als God wilde zijn, te wijten is.

 

6. Een ambivalente relatie tussen mens en natuur

Als conclusie uit het voorgaande kun je dus zeggen dat de twee verhaalstrengen die het joods-christelijke scheppingsverhaal vormen, doordrongen lijken van de ambivalentie van de relatie tussen mens en natuur. Enerzijds is de mens op grond van een oorsprongsrelatie aan de aardbodem verbonden, anderzijds is de mens door eigen hoogmoed ten val gekomen en heeft hij die relatie verstoord. En hoewel de mens ‘beeld Gods’ is, is met de verstoring van de relatie tussen mens en natuur ook de relatie tussen mens en God verstoord. Het Oude en Nieuwe Testament nemen die verstoorde relatie tot uitgangspunt van een historisch verhaal waarin de mens voortdurend struikelt, maar waar God voortdurend opnieuw het initiatief neemt om de verstoorde relatie te herstellen.

     De ambivalentie is er, maar door het voortgaande handelen van God is er ook hoop op herstel van relaties. Zo schrijft Paulus in zijn brief aan de gemeenten te Rome:

 

Ook de schepping verlangt vurig naar de openbaarmaking van de kinderen van God. Want zij is onderworpen aan een zinloos bestaan, niet omdat zij het zelf wil, maar door de wil van Hem die haar daaraan onderworpen heeft. Maar zij is niet zonder hoop, want ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij van de vergankelijkheid, en delen in de glorierijke vrijheid van Gods kinderen. Wij weten immers dat de hele schepping kreunt en onder barensweeën lijdt, nog altijd. (Romeinen: 8:19-22)

 

Opnieuw komt hier het motief naar boven dat het lot van de schepping verbonden is met het lot van de mensen. Omdat de mens heeft gezondigd in het Paradijs, lijdt de schepping aan de consequenties die door God zijn opgelegd. Zoals de mens lijdt, zo lijdt ook de schepping. Maar, wanneer de verlossing ooit komt, zal ook deze gelden voor de schepping als geheel. Die hoop wordt aangeduid in het bijbelboek Openbaring, wanneer de schrijver (in 21:1) een laatste visioen krijgt: “Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen en de zee bestond niet meer.” De verlossing krijgt kosmische proporties, en is niet beperkt tot de verlossing van de mens, maar wordt beschreven als een structurele vernieuwing van het hele universum.

 

7. Naar een theologie van bodemmanagement

Vanuit het voorgaande kunnen we nu een aantal punten destilleren.

1.    Het ambivalente karakter van de relatie tussen mens en natuur, zoals we dat in het dagelijks leven kennen, is ook een belangrijke component van de christelijke scheppingsleer. In de scheppingsverhalen uit Genesis 1 en 2 zien we hoe door middel van verhalen wordt gezocht om de oorsprong van die ambivalentie te duiden, en hoe die oorsprong gevonden wordt in de hoogmoed van de mens.

2.    Een ander element, wat ook resoneert met het huidige ecologische bewustzijn, is dat er een nauwe verbondenheid is tussen mens en bodem. Deze verbondenheid wordt in de bijbelverhalen gekarakteriseerd als een oorsprongsrelatie: de mens is met de rest van de schepping verbonden door de aarde/bodem waaruit hij is voortgebracht.

3.    Met die verbondenheid komt dan ook het ecologische bewustzijn boven dat de handelingen van de mens consequenties hebben voor de rest van de schepping. We hebben gezien dat God de aardbodem vervloekt naar aanleiding van de ‘zondeval’ van de mens. Het lot van de bodem is dus verbonden aan het lot van de mens. Maar tegelijkertijd heeft dit ook weer een terugwerkende kracht op de mens zelf: de vervloekte aardbodem brengt doornen en distels voort die het de mens zeer moeilijk maken. Er is hier sprake van een feedback loop.

4.    Dan is er nog de nauwe verbondenheid tussen God en de geschapen werkelijkheid. God is als Schepper transcendent, maar als actor is God immanent. In de scheppingsverhalen wordt er een link gelegd tussen de levenschenkende werkzaamheid van de bodem en Gods handelen. Handelingen van de mens die consequenties hebben voor de bodem, raken derhalve ook God. Dit uit zich in een eerbiedige houding ten aanzien van land en bodem.[4] Dit element kan een rol hebben in bodemmanagement: het aandacht hebben voor, en rekening houden met de belangen van de bodem kan in het licht van de scheppingsleer gezien worden als een religieuze activiteit.

5.    In de christelijke scheppingsleer is een sterk besef aanwezig van de intrinsieke waarde van de natuur. Nergens wordt gesproken over een bepaald nut dat de schepping zou hebben, hoewel het spreken over het genieten van God pleit voor een zeker esthetisch besef. Ook wordt de aarde een zekere autonomie en integriteit toegedicht, die zowel door de mens als door God wordt gerespecteerd.

6.    Niettemin wordt de mens opgeroepen om de bodem te bewerken. De christelijke scheppingsleer erkent dus ook dat de bodem voor de mens extrinsieke waarde heeft. De mens mag, om te overleven, gebruik maken van het potentieel van de bodem, zij het op gepaste wijze. Er zijn grenzen aan het gebruik: misbruik wordt niet getolereerd, en de consequenties ervan komen uiteindelijk als door een ‘boemerang-effect’ terug.

7.    Zo kun je dus concluderen dat ook vanuit de optiek van een christelijke grondhouding ieder mens in zekere zin een bodemmanager is, en zelfs een paradoxmanager. Ook vanuit een christelijk perspectief zijn er verschillende partijen (God, mens, natuur) met verschillende belangen die allemaal evenveel recht van spreken hebben. De mens moet proberen een evenwicht te vinden en de spanningen hanteerbaar te maken.

 

8. Een theologische visie op technologie: de mens als ‘geschapen mede-schepper’

Je kunt dus zeggen dat de christelijke grondhouding, zoals die in de scheppingsleer tot uitdrukking komt, resoneert met Keunings idee van de bodemmanager als paradoxmanager. Een volgende stap is dan te vragen: Kun je vanuit de christelijke scheppingsidee een model ontwikkelen waarin elementen uit de christelijke grondhouding en de idee van bodemmanagement als paradoxmanagement worden verbonden met ontwikkeling en gebruik van duurzame technologieën? In het discussiestuk gebruik ik het model van de mens als created co-creator (‘geschapen mede-schepper’) van de Amerikaanse theoloog Philip Hefner.

     Hefner neemt zijn uitgangspunt in de ambivalentie van de relatie tussen mens, cultuur, en natuur. Hij ziet dat er enerzijds continuïteit is tussen mens en natuur, maar dat de mens ook cognitieve vermogens heeft die elders in de natuur afwezig lijken. Op grond hiervan waardeert Hefner de mens als een wezen dat actief bijdraagt aan de ontwikkeling van het universum, binnen de grenzen die door de biologie en fysica aan de menselijke vermogens gesteld worden. De mens is dus een natuurlijk wezen, een product van evolutionaire processen. Tegelijkertijd is de mens door zijn vergevorderde vermogens in staat om die evolutie te beïnvloeden. Hierbij is technologie van cruciaal belang. Hefner beseft terdege dat technologie een van de oorzaken is waardoor mens en natuur van elkaar vervreemd zijn geraakt. Tegelijkertijd is technologie een product van onze cognitieve vermogens, en daarmee een onderdeel van de natuur. Hefner meent dan ook dat het benadrukken van de ‘natuurlijkheid’ van technologie mensen in staat zal stellen de vervreemding op te heffen. Technologie behoort, volgens Hefner, tot de sfeer van de natuur; het is een product van evolutionaire en daarmee natuurlijke processen. Volgens hem is er geen wezenlijk verschil tussen een bij die honing produceert en een mens die een fast-food burger maakt.[5]

     Volgens Hefner kan de mens dan door twee aspecten gekarakteriseerd worden. Ten eerste is de mens onderworpen aan fysische, biologische en culturele condities. Een mens kan die geconditioneerdheid oprekken door middel van technologie, maar uiteindelijk kan hij de grenzen niet volledig opheffen. Theologisch is dit een karakterisering van geschapen-zijn. Zoals Hefner zegt, geschapen-zijn betekent afgeleid-zijn, afhankelijk zijn van andere factoren. Maar er is ook een ander aspect, en dit is verbonden met de vrijheid en creativiteit van de mens. Omdat de mens een beperkt wezen is, is het noodzakelijk dat hij leert om te gaan met de complexiteit van zijn eigen wezen en met de eisen die zijn omgeving aan hem stelt. De mens heeft hier technologie voor ontwikkeld, en dit wordt door Hefner gekarakteriseerd als “nature’s way of stretching itself towards newness.” Technologie is een creatieve uiting van de mens en, het grotere plaatje in gedachten houdend, van de natuur als geheel. Hefner ziet het dan ook als de taak van de mens om de vrijheid te gebruiken om natuurlijke systemen zodanig ‘uit te rekken’ dat ook zij de vrijheid krijgen om te kunnen participeren in Gods bedoelingen. Het is dus het doel van de mens om de potenties van de natuur te ontdekken en verder te stimuleren, tot ontwikkeling te brengen.

     Hoe kan dit model van de mens als ‘geschapen mede-schepper’ nu gebruikt worden in bodemmanagement? Mijns inziens kan het in bepaalde discussies van belang zijn, bijvoorbeeld wanneer er gediscussieerd wordt over ‘ingrijpen’ of ‘behouden’. Interventie wordt door ecologen vaak gezien als een verstoring van ecosystemen, en wordt daarmee negatief gewaardeerd. Vanuit Hefners model echter, met name wat betreft zijn idee dat de mens als doel voor ogen moet houden de vrijheid van de natuur te bevorderen en te stimuleren, wordt de tegenstelling tussen ingrijpen en behouden enigszins afgezwakt. Immers, indien er een bepaalde factor is die het optimaal functioneren van een natuurlijk systeem remt, dan kan door menselijk ingrijpen deze factor wellicht weggenomen worden – hetgeen bij bodemsanering vaak het geval is. Zo kan interventie in sommige gevallen leiden tot behoud.

    

9. Afsluiting

Ik denk dus dat vanuit de grondhouding van de mens/bodemmanager als ‘geschapen mede-schepper’ er ethisch-religieuze (richt)lijnen kunnen worden uitgezet als onderbouwing van bodemgebruik en bodemsanering. Een belangrijk punt dat vanuit het model van de mens als geschapen mede-schepper in het oog moet worden gehouden is dan dat het de taak van de mens is om zijn/haar technologie te gebruiken om de vrijheid van natuurlijke systemen te ontwikkelen en te stimuleren. Vanuit de idee van de mens als geschapen mede-schepper wordt dus aan menselijke interventie richting gegeven en worden er grenzen gesteld. Het is pertinent onwaar dat ieder ingrijpen van de mens de zelforganisatie van de natuur noodzakelijkerwijs verstoort. Menselijk ingrijpen kan deze zelforganisatie bevorderen, en vanuit een christelijk-religieuze optiek kan dat zelfs als de taak van menselijk technologisch handelen worden beschouwd.

Heel kort gezegd: Het theologisch model van de geschapen mede-schepper kan bijdragen tot een zekere bewustwording van het belang van de bodem en de belangrijke rol en verantwoordelijkheid van de mens en zijn technologie ten aanzien van de bodem, en ten aanzien van de natuur als geheel.



[1] W. Zweers, Participeren aan de Natuur: Ontwerp voor een Ecologisering van het Wereldbeeld. Utrecht: Uitgeverij Jan van Arkel 1995.

[2] S. Keuning, ‘Bodemmanagement geeft vakgebied nieuw élan’, in: Milieutijdschrift ArenA, 2002:7 (november), 11.

[3] S. Keuning, ‘Paradoxmanager Geeft Bodemwereld Nieuwe Glans’, in: Milieutijdschrift ArenA 2003:1 (februari), 18.

[4] Als voorbeeld kan dienen het verhaal van de roeping van Mozes uit Exodus 3.

[5] “There is essentially no difference between the phenomenon of the bee producing honey and the human being fashioning a fast-food burger. The technological overlay that characterizes the production of the burger is as much a part of nature as is the bee, performing in a manner appropriate to the evolutionary context of human culture. That we may attach differing value judgments to the work of the bee and the work of technologically advanced food processing should not cloud our sense of the fundamental sameness of the two activities.” P. Hefner, The Human Factor: Evolution, Culture, and Religion. Minneapolis: Fortress Press 1993, 154.